Elle sort Paul,zij neemt Paul (letterlijk: gaat uit of haalt uit).
elle l’embrasse,zij kust hem (letterlijk: omhelst hem).
puis elle le passe,daarna geeft ze hem (letterlijk: geeft door).
bien vite,heel gauw.
c’est ça,mooi zoo of dat is goed.
en portant,terwijl hij draagt (lett.: dragende).
en tenant,terwijl hij houdt (lett.: houdende).
au revoir,tot ziens.
à bientôt,tot straks.
merci,dank u.

[VII].

Jean va à la cuisine,Jan gaat naar de keuken (zie opm. bij [III]).
il a mis le chapeau,hij heeft den hoed opgezet.
est en train de peler des pommes,is aan ’t appelen schillen.
est en train de,is bezig met.
tiens,zoo of kijk.
vient chercher,komt halen.
peut-être,misschien.
un bout de ficelle,een eindje touw of een touwtje.
un bout,een eind, een stuk.
pourquoi faire,waarom (letterlijk: om wat te doen).
bien difficile,zeer moeilijk.
le tiroir,de lade.
merci beaucoup,dank je wel.
et voilà aussi,en daar heb je ook (lett. ziedaar).
met dans sa poche,steekt in zijn zak.
l’attache,bindt het, maakt het vast.
autour du poignet,om den pols.
autour de,om, rond om.
est attaché,is vastgebonden, vastgehecht.
retournent chez la maman,gaan naar mama terug.
bien des choses à Madame,vele groeten aan Mevrouw.

[VIII].

Comment?hoe?
rentre,komt (terug) weer.
tout à fait,heelemaal.
quel bonheur,hoe heerlijk (letterlijk: welk een geluk).
Marie devient toute triste,Marie wordt heel treurig.
le bras est retourné,de arm zit omgekeerd, onderst boven.
tient à l’épaule,zit (letterlijk: houdt) aan den schouder.
se servir de sa main,zijn hand gebruiken (lett.: zich bedienen van).
ça ne fait rien,dat hindert niet (letterlijk: dat doet niets).
Paul ne pourra plus mettre,Paul kan (zal kunnen) niet meer steken.
c’est vrai,dat is waar.
fera-t-il pour travailler,zal hij moeten werken (letterlijk: zal hij doen, om te).
plus tard,later.
le chanteur,de zanger.
il n’a pas besoin de son bras,hij heeft zijn arm niet noodig.

[IX].

Jean va partir,Jan vertrekt (letterlijk: gaat vertrekken).
la porte s’ouvre,de deur gaat open (letterlijk: opent zich).
l’aîné,de oudste.
il s’appelle,hij heet (lett.: noemt zich).
en entrant dans la chambre,als hij de kamer binnenkomt (lett.: binnenkomende).
à quoi jouez-vous?wat speel jullie? (jouer à bij een spel; jouer de bij een muziekinstrument).
nous jouons au docteur,wij spelen doktertje.
ajoute,voegt er aan toe.
il a remis,hij heeft gezet.
s’écrie,roept uit.
ils se mettent à rire,zij beginnen te lachen.
en voyant,als ze zien (lett.: ziende).
il va nous chanter,hij zal (letterlijk: gaat) voor ons zingen.
appuyé à,geleund tegen.
le dossier,de leuning.
que savez-vous chanter,wat kun je zingen? (letterlijk: weet).
il ne répond toujours pas,hij antwoord nog altijd niet.
il se met à chanter,hij begint te zingen.
Marie croit,Marie denkt, meent (letterlijk: gelooft).
vraiment,waarlijk.
que c’est son petit garçon qui chante, dat haar kleine jongen zingt (lett.: dat het is haar kleine jongen, die zingt).

[X].

Ainsi que,evenals.
elle en est très contente,zij is er heel blij mee (letterlijk: zeer tevreden over).
pourtant,toch.
le second couplet,het tweede versje.
car,want.
elle connaît,zij kent.
qu’est-ce que Paul chante?wat zingt Paul?
écoutez ces quatre petites voix,luister naar deze vier stemmetjes.
vous le saurez,ge zult het weten.
cocorico,kukeluku.
à voix pleine,luidkeels.
vont chantant,zingen (lett.: gaan zingende).
en picotant,terwijl ze oppikken (letterlijk: oppikkende).
en buvant,terwijl ze drinken (letterlijk: drinkende).
le soleil luit,de zon schijnt.
s’il va pleuvoir,als het gaat regenen.
la plaine,de vlakte.

[XI].