Vrai,echt (letterlijk: waar).
la chambre d’à côté,de kamer ernaast.
sont assis,zitten (lett.: zijn gezeten).
ils prennent une tasse de thé,zij drinken een kopje thee (letterlijk: nemen).
Maman pose son porteplume,Mama legt haar penhouder neer.
un petit-four,een koekje.
j’ai mal aux dents,ik heb tand- of kiespijn.
elle verse,zij schenkt in (lett.: zij giet).
en fumant,terwijl hij rookt (letterlijk: rookende).
comme les enfants font du bruit,wat maken de kinderen een leven.
qu’est-ce qu’il y a?wat is er?
chez eux,bij hen.
ils jouent à l’école,zij spelen schooltje.
si fort,zoo hard (sterk).
allons voir un peu,laat ons eens kijken (lett.: een beetje).
ils se lèvent,zij staan op.
pour aller voir les enfants,om naar de kinderen (te gaan) kijken.
ils s’arrêtent,zij blijven staan.
ils écoutent,zij luisteren.
ils entendent,zij hooren.
le chant est si gai,het liedje is zoo vroolijk.
doucement,zachtjes.
ils s’arrêtent de,zij houden op met.
ils ne disent plus rien,zij zeggen niets meer.

[XII].

Avoir besoin de,behoeven (lett.: noodig hebben).
qu’est-ce qu’il y a donc,wat is er toch?
ils éclatent de rire,zij barsten in lachen uit.
eh bien!wel!
qui est-ce,wie is dat?
il faut que Paul chante,Paul moet zingen.
je n’y comprends rien,ik begrijp er niets van.
en voilà un beau docteur,dat is ook een mooie dokter.
la ficelle glissait tout le temps,het touwtje gleed telkens (aldoor) uit (lett.: den heelen tijd).
j’ai mis la ficelle,ik heb het touwtje gebonden (letterlijk: heb gelegd).
un drôle de docteur,een gekke dokter.
arracher une dent,een kies (of tand) uittrekken.
au lieu de,in plaats van.
ça ne fait rien,dat hindert niets.

[XIII].

Toute seule,heelemaal alleen.
deux semaines après,veertien dagen (twee weken) later.
Marie en était très triste,Marie was er zeer treurig om.
Jean savait si bien,Jan kon zoo goed.
voilà qu’il était parti,en nu was hij weg (letterlijk: vertrokken).
était assis,zat (lett.: was gezeten).
Marie le sortit de sa chaise,Marie nam hem uit zijn stoel.
elle le prit par la main,zij nam hem bij de hand.
se promener,wandelen.
sage,zoet (letterlijk: wijs).
elle va conduire Paul à l’école,zij gaat brengen (lett.: geleiden), hier, zij brengt.
il faut qu’il apprenne à,hij moet leeren.
calculer,rekenen.
elle sonne au bouton de la porte,zij schelt aan den deurkruk.
je viens conduire,ik kom brengen.
mais d’un ton plus bas,maar op een lager toon.
le voici,hier is hij.
il faut qu’il devienne,hij moet worden.
je m’en vais,ik ga heen.
elle pose Paul par terre,zij zet Paul op den grond.
un coin,een hoek.
elle s’en va,zij gaat heen.

[XIV].

Jour de classe,schooldag.
aujourd’hui,vandaag.
suspendu,opgehangen.
le capuchon,de cape (mantel).
le béret,de muts.
le portemanteau,de kapstok.
d’autres nouveaux,andere nieuwelingen.
il y en a,er zijn er.
tous ont l’air timides,allen zien er verlegen uit.
quel âge avez-vous,hoe oud ben je? (lett.: welken leeftijd hebt ge?)
en regardant,terwijl hij aankijkt (letterlijk: aankijkende).
j’ai six ans,ik ben (lett.: ik heb) zes jaar.
comment vous appelez-vous,hoe heet je?
vous savez faire de la musique,je kunt muziek maken.
sans doute,zeker, stellig (letterlijk: zonder twijfel).
mais oui,welzeker.
jouer de la harpe,op de harp spelen.
très joliment,heel mooi.
une jolie chanson,een mooi liedje.
sa petite voix tremblait,zijn stemmetje beefde.
pourtant,toch (evenwel).
écoutez seulement,luister maar.
il leva le doigt,hij stak den vinger op.
commencez,begin.
il récita,hij zei op.
c’est tout,is dat alles? (lett.: dat is alles?)
cette belle poésie,dat mooie versje.
une poésie sur Pierre,een versje over Pieter.
s’amusait,had pret (letterlijk: vermaakte zich).
en rentrant,toen hij thuis kwam (letterlijk: thuis komende).
tant il s’était amusé,zooveel pret had hij gehad.
je te la réciterai,ik zal het voor u opzeggen.

[XV].

Qu’est-ce que,wat.
promis,beloofd.
très bête,zeer of erg dom.
quelque chose,iets.
travaillé en classe,gewerkt in de school.
Paul se taisait,Paul zweeg.
toujours,aldoor (letterlijk: altijd).
elle allait le prendre,zij wilde (letterlijk: ging) hem pakken.
par le bras,bij den arm.
secouer,schudden.
elle se rappela,zij herinnerde zich.
qu’il n’avait qu’un bon bras,dat hij maar één goeden arm had.
le gronda,beknorde hem.
seulement,alleen maar.
heureusement,gelukkig.
la porte s’ouvrit,de deur ging open (lett.: opende zich).
ton petit Paul à toi,jouw kleine Paul.
je veux bien,graag (lett.: ik wil wel).
de toutes leurs oreilles,met beide ooren (lett.: met al hun ooren).
Louis déclama,Louis zei op.
a doré,heeft verguld.
s’éveille,wordt wakker.
joyeux,vroolijk.
il quitte,hij verlaat.
sans peine,zonder moeite.
son oreiller,zijn kussen (van oreille = oor; een canapé-kussen = un coussin).
soyeux,zacht (lett.: zijdeachtig; soie = zijde).
au plus vite,heel vlug (zoo gauw mogelijk).
il fait sa toilette,hij wascht en kleedt zich.
le teint vermeil,de roode gelaatskleur.
surtout,vooral.
de sa peau bien nette,van zijn zindelijke (reine) huid.
les jeux,de spelen.
au grand soleil,in de volle zon.
parfois,somtijds.
amère,bitter.
le savoir,het weten.

[XVI].