Quelques jours après,eenige dagen later.
il savait,hij kende (lett.: wist).
il savait la réciter,hij kon het opzeggen.
bien content,heel blij.
la lumière,het licht.
déjà luit,schijnt al.
hors du lit,het bed uit.
claironne,kraait.
résonne,weerklinkt.
réveillez-vous,wordt wakker.
le second couplet,het tweede versje.
c’est ça,dat is goed.
poursuivit,ging voort.
lève-toi,sta op.
notre chèvre,onze geit.
bêle,blaat.
t’appelle,roept je.
sans attendre,zonder te wachten op.
la réponse,het antwoord.
le petit air,het wijsje.
suivant,volgende.

[XVII].

Quel vent désagréable!Wat ’n nare wind!
quel vilain temps,wat een leelijk weer.
il pleuvait,het regende.
il faisait du vent,het woei.
un vrai temps de novembre,echt Novemberweer.
chassait,joeg.
la figure,het gelaat.
Jean devait aller en classe,Jan moest naar school (gaan).
naturellement,natuurlijk.
il ne voulait pas,hij wilde niet.
ensemble,samen.
Jean a trop peur,Jan is veel te bang.
quelque chose de nouveau,iets nieuws.
il serait en retard,hij zou ten achter komen.
comme dans la poésie,als in het liedje.
il irait,hij zou gaan.
le conduirait,zou hem brengen.
Jean boutonna,Jan knoopte dicht.
il tira,hij trok.
par dessus ses oreilles,over zijn ooren.
les voilà partis,daar gingen ze weg.
bras dessus, bras dessous,gearmd (letterlijk: arm boven, arm onder).
tant qu’ils étaient,zoolang zij waren.
entre,tusschen.
donc,dus.
commode,gemakkelijk.
poussait,voortduwde.
le plaisir était fini,de pret was uit (letterlijk: geëindigd).
souffla,blies.
d’un autre côté,van een anderen kant.
comme si,alsof.
à la fois,te gelijk.
elle résolut de le fermer,zij besloot hem dicht te doen.
trop tard,te laat.
le voilà retourné,hij was omgekeerd.
mouillait,maakte nat.
tout à fait,heelemaal.
presque,bijna.
arracher des mains,rukken uit de handen.
il essayait,hij probeerde.
rabattre,neerslaan.
en vain,vergeefs.
un sergent de ville,een (politie) agent.
il tint,hij (hield) pakte.
de l’autre côté,aan den anderen kant.
de sorte que,zoodat.
le vent lui-même,de wind zelf.
les baleines et l’étoffe,de baleinen en de stof.
il rabattit,hij sloeg neer.
mais lui il ajouta,maar hij (met nadruk) voegde erbij.

[XVIII].

Délicieux,heerlijk, lekker.
bientôt,gauw, spoedig.
Rose retourna,Rosa keerde terug.
il ne pleuvait plus,het regende niet meer.
tranquille,kalm, rustig.
le vent ne pouvait pas y entrer,de wind kon er niet binnenkomen.
chaque fois,telkens (lett.: elken keer).
essayait d’entrer,probeerde binnen te komen.
il soulevait,hij lichtte op.
les manteaux suspendus dans le vestibule,de mantels, die in de vestibule hingen.
suspendu,(letterlijk: opgehangen).
il retournait,hij sloeg om.
les feuilles des livres,de bladen der boeken.
on lui fermait vite la porte au nez,men deed gauw de deur voor zijn neus dicht.
rester dehors,buiten blijven.
chasser,jagen.
taquiner,plagen.
autant que,zooveel als.
c’est ce qu’il faisait,dat deed hij.
par dessus les toits,over de daken.
il les attrapait,hij pakte ze.
la cime,de top.
penchait à droite et à gauche,boog naar rechts en links.
les branches craquaient,de takken kraakten.
les feuilles mortes,de dorre (letterlijk: doode) bladeren.
s’envolaient,vlogen.
partout,overal heen.
elles ne savaient pas où aller,zij wisten niet, waar ze heen zouden gaan (letterlijk: waar te gaan).
frayeur,angst.
pour les attraper au vol,om ze in de vlucht te vangen.

[XIX].

Les saisons,de jaargetijden.
s’amusaient beaucoup,hadden veel pret.
bien des feuilles,heel veel blàren.
ils montraient,zij lieten zien.
nous sommes en automne,we zijn in den herfst.
c’est ce que les enfants savaient,dat wisten de kinderen.
mettez-vous sur le petit banc,ga op het bankje staan.
monta,klom.
le printemps,de lente (het voorjaar).
l’été,de zomer.
l’automne,de herfst.
l’hiver,de winter.
pas non plus,ook niet.
en été,in den zomer.
il faisait chaud,het was warm.
en hiver,in den winter.
il faisait froid,het was koud.
au printemps,in het voorjaar.
elles tombaient,zij vielen af.
quelle saison aimez-vous le mieux,van welk jaargetijde houd je het meest?
il poursuivit,hij vervolgde.
vous trouvez ça amusant vous,jij vindt dat prettig! (jij met klem).
se dit,dacht (lett.: zei) bij zichzelf.
il avait bien raison,hij had wel gelijk.

[XX].

A la fenêtre,voor het raam.
elle aussi,haar ook.
s’envolaient,vlogen weg.
parfois même,soms zelfs.
ce cycliste,die fietser.
il pédalait,hij trapte (fietste).
avancer,vooruit komen.
là bas,daar gindsch.
mince,dun.
elle avait l’air d’avoir froid,zij leek het koud te hebben.
elle avait l’air,letterlijk: zij had het uiterlijk.
se chauffer,zich warmen.
appelle-la donc,roep haar maar.
elle frappa à la vitre,zij tikte tegen de ruit.
frappe un peu plus fort,tik wat harder.
enfin,eindelijk.
Marie lui fit signe des deux mains,Marie wenkte haar met beide handen.
la fillette,het meisje.
la poitrine,de borst.
cela voulait dire,dat wilde zeggen.
c’est moi que vous appelez,roep je mij? (ik ben het die)
elle s’approcha enfin de la fenêtre,zij kwam eindelijk bij het raam.
d’ouvrir la porte,de deur te openen.
la chambre bien chauffée,de goed verwarmde kamer.
demanda,vroeg.
comment va ta mère,hoe maakt je moeder het? (hoe gaat het met je moeder?)
va-t-elle mieux,gaat het beter met haar?
étonnée,verwonderd.
connaissait,kende.
ce n’était pas étonnant,dat was geen wonder.
étonnant,letterlijk: verwonderend.
arranger,in orde brengen.

[XXI].