Voilà plus d’un an que la mère était malade,de moeder was nu al meer dan een jaar ziek.
elle était couchée,zij lag te bed.
elle se levait pendant une heure,stond ze een uurtje op (letterlijk: gedurende of voor een uur).
elle cousait,zij naaide.
c’était tout,dat was alles.
voilà pourquoi,dat was de reden waarom.
faire le ménage,de huishouding doen.
aider,helpen.
elle n’avait que huit ans,zij was maar acht jaar.
elle avait été voir,zij had bezocht (letterlijk: zij was geweest te zien).
apporter,brengen.
des fortifiants,versterkende middelen.
je dois aller à l’école,ik moet naar school.
les classes commencent,de school (letterlijk: de klassen) begint.
Jean est déjà parti,Jan is al weg (letterlijk: vertrokken).
j’ai dû retourner chez nous,ik moest terug (letterlijk: ik heb moeten terugkeeren) naar huis.
pour en mettre une autre,om een andere aan te trekken.
c’était dommage,dat was jammer.
et voilà que Ninette,en nu moest N.
il faisait si froid,het was zoo koud.
elle rougit,zij kreeg een kleur (letterlijk: zij kleurde).
dis au revoir,zeg goedendag (letterlijk: tot weerziens).
ta nouvelle petite amie,je nieuw vriendinnetje.
qui avait bu,die opgedronken had.
partit à l’école,ging (letterlijk: vertrok) naar school.
tu reviendras,je zult terugkomen of je komt terug.
n’est-ce pas,is ’t niet?

[XXII].

Marie l’avait vue partir,Marie had haar zien vertrekken.
elle avait bien entendu parler,zij had wel hooren spreken.
ce que c’était,wat dit was.
il y avait,er (was) waren.
qui faisait les lits,wie maakte de bedden op?
qui faisait la cuisine,wie kookte?
c’était trop drôle,dat was te gek.
quand on a besoin d’un manteau,als men een mantel noodig heeft.
une boutique,een winkel.
pour en acheter un,om er een te koopen.
apporter,brengen.
une boîte,een doos.
on les essaye,men past ze aan.
papa paye,papa betaalt.
on achète,men koopt.
chérie,lieveling.
pourquoi? ou: pourquoi pas?waarom niet?
parce que,omdat.
cela coûte-t-il cher,kost dat veel? (letterlijk: duur).
c’est ça,goed zoo.
pour causer avec Rose du dîner,om met Rosa te praten over het middagmaal.

[XXIII].

De nouveau,opnieuw.
la croisée,de vensterbank.
regarder par la fenêtre,kijken door het venster.
quels tours jouait le vent,welke kunsten (poetsen) de wind uithaalde (letterlijk: speelde).
une voiture à bras,een handkar.
tirer,trekken.
le vent enlève la casquette,de wind neemt de pet af.
emporter,meenemen.
bien loin,heel ver.
au milieu,in het midden.
il court à toutes jambes,hij loopt, zoo hard hij kan.
pour attraper,om te pakken.
il se baisse,hij bukt (zich).
pour la ramasser,om ze op te rapen.
presser,drukken.
attendre,wachten.
un moineau,een musch.
qui s’abattent dans la rue,die neerstrijken op straat.
des miettes,kruimels.
le vent les pousse,de wind duwt ze weg.
presque,bijna.
se tenir,zich staande houden, staan blijven (letterlijk: zich houden).
leurs petites pattes,haar pootjes.
ils voient,zij zien.
une graine,een korreltje.
ils doivent souvent courir après,zij moeten het vaak naloopen.
justement,juist.
il a attaché,hij heeft vastgemaakt.
reprendre,weer nemen.
continuer son chemin,zijn weg vervolgen.
une vieille,een oude vrouw.
avancer,vooruitkomen.
elle marche tout près des maisons,zij loopt heel dicht bij de huizen.
souffler,blazen.
s’arrêter,staan blijven.
ses jupes sont tendues contre ses jambes,haar rokken zijn gespannen tegen haar beenen.
pauvre vieille,arm oudje.
comme ça Marie voit,zoo ziet Marie.

[XXIV].

Voler,vliegen.
veux-tu sortir avec moi,wil je met me uitgaan?
aller prendre à l’école,gaan halen uit school.
petite Mère,Moesje.
pas du tout,heelemaal niet.
chaudement habillées,warm gekleed.
d’abord,eerst.
un magasin de nouveautés,een modemagazijn (winkel).
le marchand en montre plusieurs,de koopman laat er verscheidene zien.
choisir,kiezen.
il fait si froid,het is zoo koud.
elles entendent une cloche,zij hooren een bel.
deux à deux,twee aan twee.
bien en rang,net in de rij.
celui-ci,deze.
jusqu’à la porte,tot aan de deur.
il court vers sa mère,hij loopt naar zijn moeder.
et les voilà partis tous les trois,en nu gaan ze alle drie weg.
au coin de la rue,op den hoek van de straat.
le vent essaya encore une fois,de wind probeerde nog eens.
Jean le tenait,Jan hield hem vast.
ils ont les joues bien rouges,zij hebben heel roode wangen.

[XXV].

Il nous faut travailler tous,wij moeten allen werken (lett.: het moet, dat....).
comme j’ai faim,wat heb ik een honger!
en rentrant de l’école,toen hij thuis kwam van school.
une bonne maladie,een goedaardige ziekte.
le dîner te guérira,het middagmaal zal je genezen.
il mangea comme quatre,hij at voor vier.
la faim disparut,de honger verdween.
maman préparait le thé,mama zette thee (letterlijk: bereidde).
il s’était endormi,hij was ingeslapen.
ils faisaient beaucoup de bruit,zij maakten veel lawaai.
ils jouaient au vent,zij speelden, dat het woei.
qui, d’un bras, poussait,die, met een arm, duwde.
il l’avait lancée,hij had ze (geworpen) geslingerd.
vous faites trop de bruit,jullie maakt te veel lawaai.
papa ne peut pas se reposer,papa kan niet uitrusten.
pendant un moment,voor een oogenblik.
tranquille,rustig.
le bruit recommença,het leven begon opnieuw.
il faisait tant de vent,het woei zoo erg!
doucement,zachtjes.
papa se réveillera,papa zal wakker worden.
il ne se sera pas bien reposé,zal hij niet goed gerust hebben.
ils s’amusaient si bien,zij hadden zoo’n pret.
nous dormons la nuit,wij slapen ’s nachts.
fatigué,vermoeid of moe.
pour gagner de l’argent,om geld te verdienen.
ce manger,dit eten.
il faut de l’argent,men moet geld hebben.
allons,kom.
je vous apprendrai,ik zal je leeren.
une poésie sur cinq petits bonshommes,een versje van vijf mannetjes.
je n’en ai guère,ik heb bijna niets.
comment faire?wat te doen?
savez-vous,weet je.

[XXVI].