Les cinq doigts de la main,de vijf vingers van de hand.
c’est le pouce,dat is de duim.
l’index,de wijsvinger.
qui remarque tristement,die treurig opmerkt.
le majeur ou doigt du milieu,de middelvinger (majeur, vroeger: groot; nu: meerderjarig).
l’annulaire,de ringvinger.
le petit doigt ou auriculaire,de kleine vinger of pink.
c’est tout juste comme dans le Petit Poucet,dat is net zoo als in Klein Duimpje.
ils demandèrent,zij vroegen.
raconte-nous l’histoire,vertel ons het verhaal.
ils désiraient beaucoup,zij wilden graag.
un bûcheron,een houthakker.
demeurer,wonen.
le bois,het bosch.
sa femme, la bûcheronne,zijn vrouw, de houthakster.
le cadet,de jongste.
il s’appelait,hij heette.
nourrir,voeden, eten geven.
toutes ces petites bouches,al deze (kleine monden) mondjes.
il gagnait,hij verdiende.
il n’avait plus rien à leur donner à manger,hij had niets meer om hun te eten te geven.
je vais aller perdre les enfants dans le bois,ik zal maken, dat ik de kinderen kwijt raak in het bosch (letterlijk: ik ga gaan verliezen).
j’aime mieux,ik heb liever.
ils meurent de faim,zij sterven van honger.
elle consentit enfin à ce que son mari voulait,zij stemde eindelijk toe, in wat haar man wilde.

[XXVII].

Suite,vervolg.
le lendemain,den volgenden dag.
partit,vertrok.
qui s’était caché,die zich verborgen had.
derrière la porte,achter de deur.
le soir,des avonds (letterlijk: de avond).
il avait emporté des cailloux blancs,hij had blanke (witte) keisteentjes meegenomen.
jeter,werpen.
la route,de weg.
quand le père fut parti,toen de vader weg was.
et que les six frères pleuraient,en toen de zes broertjes schreiden.
suivez-moi,volgt mij.
retrouver,terugvinden.
en suivant,door te volgen.
rester,blijven.
quelque temps,eenigen tijd.
le père avait reçu,de vader had gekregen (lett.: ontvangen).
quand il n’eut plus d’argent,toen hij geen geld meer had.
il résolut,hij besloot.
il emporta du pain,hij nam brood mee.
les laissant seuls,en liet hen alleen (letterlijk: hen alleen latende).
les enfants voulurent rentrer,de kinderen wilden naar huis terugkeeren.
il n’y avait plus de miettes,er waren geen kruimels meer.
les voilà tout seuls,nu waren ze heelemaal alleen.
grimper,klimmen.
une lumière,een licht.
il descendit de l’arbre,hij klom naar beneden (lett.: hij daalde af van den boom).
les voilà en route,nu gingen ze op weg.
longtemps,lang.
ils frappèrent,zij klopten.
s’ils pouvaient,of ze mochten.
ils avaient peur du loup,zij waren bang voor den wolf.
la nuit,in den nacht of des nachts.
cette maison était à son mari,dit huis was van haar man.
l’ogre,de menscheneter.
les cacher jusqu’à,hen verbergen tot.
elle entendit,zij hoorde.
le lit,het bed.

[XXVIII].

Fin,einde.
tout de suite,dadelijk.
je sens la chair fraîche,ik ruik versch vleesch (letterlijk: het versche vleesch).
partout,overal.
tuer,dooden.
le veau,het kalf.
rôtir,braden.
demain,morgen.
s’endormir,inslapen.
le déjeuner,het ontbijt.
furieux,woedend.
mettre ses bottes,zijn laarzen aantrekken.
les bottes de sept lieues,de zevenmijlslaarzen.
il courut après les enfants,hij liep de kinderen na.
ceux-ci,deze.
ils s’étaient cachés,zij hadden zich verstopt.
il passa devant eux,hij liep (ging) ze voorbij.
se coucher,liggen gaan.
la mousse,het mos.
il sortit de sa cachette,hij kwam uit zijn schuilhoek.
il coupa la tête,hij sneed het hoofd af.
il lui ôta ses bottes,hij trok hem de laarzen uit.
mais lui-même,maar hijzelf.
ensuite,vervolgens, daarna.
le roi était en guerre,de koning was in oorlog.
il lui apporta des nouvelles,hij bracht hem berichten.
l’armée,het leger.
il fit tant de commissions,hij deed zooveel boodschappen.
un sac de pièces d’or,een zak met goudstukken.
celui-ci fut bien content de le voir arriver,deze was heel blij (hem te zien aankomen), dat hij terugkwam.
ils vécurent,zij leefden.

[XXIX].

La neige,de sneeuw.
comme toujours,zooals altijd.
il remarqua,hij merkte op.
quelque chose,iets.
qui ne l’avait jamais frappé,dat hem nooit getroffen had.
son papa à lui,zijn (met nadruk) vader.
un somme,een slaapje.
revenir,terugkomen.
le monde renversé,de omgekeerde wereld.
un tel papa,zulk een vader.
Jean avait raison,Jan had gelijk.
les contes de fées,sprookjes.
mauvais,slecht.
il neige,het sneeuwt.
le rideau,het gordijn.
ils virent,zij zagen.
le flocon,de vlok.
le ciel,de hemel.
d’abord, puis, bientôt,eerst, dan, weldra.
un peu plus,een weinig meer.
on ne voyait plus que du blanc,men zag niets anders meer dan wit.
ils n’avaient pas envie,zij hadden geen lust.
monter,naar boven gaan.
ils pensèrent,zij dachten.
le lendemain,den volgenden morgen.
un tapis,een tapijt of kleed.
épais,dicht.
couvrir,bedekken.
jeudi,Donderdag.
ils se jetèrent des boules de neige,zij wierpen elkaar met sneeuwballen.
le traîneau,de slede.
la glissade,de glijbaan.
qu’elle était amusante la neige,wat was de sneeuw prettig!

[XXX].

Comme ça,zoodoende.
en même temps,te gelijk.
Jean apprenait à M.Jan leerde aan M.
en voyage,op reis.
le village,het dorp.
la plainte,de klacht.
font leur plainte de concert,klagen samen.
l’abri,de beschutting.
plus d’abri,geen beschutting meer.
percer,dringen door.
surtout,bovenal.
partager,deelen.
le goûter,de namiddag-boterham (de boterham die Fransche kinderen om 4 uur eten, als men laat ’t middagmaal gebruikt).
les trous du voisinage,de schuilhoekjes (letterlijk: de gaten) in de buurt.
joyeux tapage,vroolijk rumoer.
le toit,het dak.
les pauvrets,de arme bloedjes, de zieltjes.
prendre courage,moed scheppen.
gaîment,vroolijk, lustig, welgemoed.
braver,trotseeren.

[XXXI].