Quatre fois deux font sept,viermaal twee is (letterlijk: maken) zeven.
elle aura congé,zij is vrij (letterlijk: zij zal hebben).
inviter,uitnoodigen.
que c’est amusant,wat is dat prettig!
Il faut qu’elle reste, toute la journée,dan moet zij den heelen dag blijven.
la maman de N. allait un peu mieux,het ging wat beter met de mama van N.
passer,doorbrengen.
commander,bestellen, bevelen.
montrer,laten zien.
la voiture,het rijtuig.
les joujoux,het speelgoed.
voilà d’autres visites,daar komen andere gasten.
Louis s’en va,Louis gaat (heen).
à quoi joueront-elles,wat (letterlijk: waaraan) zullen zij spelen.
M. et N. s’assoient,M. en N. gaan zitten.
H. marche de long en large,H. loopt heen en weer.
la table de cinq,de tafel van vijf.
je ne la sais pas,ik ken ze niet.
je t’aiderai,ik zal je helpen.
commence toujours,begin maar.
ce n’est pas ça,dat is zoo niet.
les tables de multiplication,de tafels van vermenigvuldiging.
compter,tellen.
elle y est bien vite comme ça,zoo is ze er heel gauw.
mais à vrai dire,maar om de waarheid te zeggen (letterlijk: maar om waar te zeggen).

[XXXII].

A présent,nu.
jouer à autre chose,iets anders spelen.
un service à thé,een theeserviesje.
un plateau,een theeblad.
la théière,de theepot.
le pot au lait,het melkkannetje.
la tasse,het kopje.
la soucoupe,het schoteltje.
enfin,eindelijk.
une boîte,een kistje (doos).
la cuiller,de lepel.
de l’eau bouillante,kokend water.
infuser,trekken.
le chauffe-thé,de theemuts (Eng. the cosy).
venir en visite,op visite komen.
vous allez bien?gaat het goed? (letterlijk: gij gaat goed).
quel temps, n’est-ce pas,wat ’n weer, niet waar?
le gamin,de straatjongen.
ils vous jettent des boules,zij gooien je met (sneeuw)ballen.
asseyez-vous,gaat zitten.
puis-je vous offrir,mag ik je aanbieden.
prenez-vous,hier: gebruik je.
remplir,vullen.
sans renverser une goutte,zonder een droppel te morsen.
sa tasse à elle,haar (met klem) kopje.
verser,schenken.
ce n’est pas joli,’t is niet aardig.
un bain de pied,een voetbad.
à ses visites,tegen haar gasten.
je vais appeler,ik zal roepen.
en toile,van linnen.
en son,van zemelen.
en faïence,van aardewerk.
à la bonne heure,mooi zoo!
réparer,herstellen.
une boîte en fer blanc,een blikken trommeltje (kistje, doosje).
elle les offre,zij presenteert ze.
grignoter,knabbelen.
un grand coup,een harde slag.
de frayeur,van schrik.

[XXXIII].

Une grande cocarde blanche,een groote witte plek (letterlijk: kokarde).
les restes,de overblijfselen.
une balle,een kogel.
on se bat,men vecht.
un gros bonhomme,een groote pop.
rouler,rollen.
deux grosses jambes,twee dikke beenen.
une grosse boule,een dikke bal.
représenter,voorstellen.
le corps,het lijf, het lichaam.
au milieu de la tête,in ’t midden van het hoofd.
un peu aplatie,een beetje afgeplat.
au-dessus,boven.
à droite et à gauche,rechts en links.
une pierre,een steen.
les yeux,de oogen.
il est né,hij is geboren.
à présent,nu.
bombarder de,bombardeeren met.
lancer,werpen, slingeren.
c’est comme ça qu’il y en a,daardoor is er een.
effrayer,verschrikken.
comme elles sont debout,nu zij opgestaan zijn.
comme les garçons s’amusent,wat vermaken de jongens zich.
qui reçoit des visites,die bezoek (gasten) ontvangt.
se mouiller,zich nat maken.
faire attention,er aan denken.
prendre garde à,oppassen voor.
courir à toutes jambes,hard loopen.
suivre,volgen.
mettre une branche,een stokje (takje) steken.
la bouche,de mond.
il aura gagné,hij heeft gewonnen (letterlijk: hij zal gewonnen hebben).
ils sont bien occupés,zij zijn druk bezig.
ramasser,oprapen.
continuer à,voortgaan met.
fumer,rooken.
siffler,fluiten.
autour de ses oreilles,om zijn ooren.
bouger,zich verroeren, bewegen.
toucher,raken.
viser,mikken.
elle s’amuse tant,zij heeft zooveel pret (zij vermaakt zich zoo).
elle rit de tout cœur,zij lacht hartelijk.
cela ne lui arrive pas souvent,dat gebeurt haar niet vaak.

[XXXIV].

La glace,het ijs.
un nouvel amusement,een nieuw vermaak.
geler,vriezen.
de suite,achtereen.
l’étang,de vijver.
couvrir,bedekken.
la couche,de laag.
ils ne savaient pas,ze konden niet.
patiner,schaatsenrijden.
emmener,meenemen.
il n’y avait pas de vent,er was geen wind.
briller,schitteren.
réchauffer,verwarmen.
se mettre en route,zich op weg begeven.
comme ils marchaient d’un bon pas,daar zij flink op liepen.
descendre,afdalen.
la glissade,de glijbaan.
glisser,glijden.
tout le temps,aldoor, telkens.
que de patineurs,wat een schaatsenrijders!
se croiser,zich kruisen.
dans tous les sens,in alle richtingen.
il y en avait tant que,er waren er zooveel, dat.
près du bord,dicht aan den kant.
tout ce monde,al deze menschen.
avoir envie,lust hebben.
le patin,de schaats.
j’aimerais tant,ik zou zoo graag.
arrivèrent lui dire bonjour,kwamen hem goeden dag zeggen, hem groeten.
vous avez tellement chaud,jullie bent zoo warm.
attraper froid,kou vatten.
pour nous reposer,om uit te rusten.
se remettre en marche,weer verder gaan.
ils avaient disparu,zij waren verdwenen.
faire le tour des étangs,om de vijvers heenwandelen.

[XXXV].

Oter,uittrekken.
le gant,de handschoen.
dehors,buiten.
elle ne s’en était pas aperçue,zij had het niet gemerkt.
sentir,voelen.
ne te mets pas près du poële,ga niet dicht bij de kachel staan.
les mains te feraient mal,je handen zouden je zeer doen.
un jeu,een spel.
Marie s’assied,Marie gaat zitten.
en face d’elle,tegenover haar.
taper,klappen.
la paume,de palm van de hand.
en mesure,op de maat.
jusqu’au bout des doigts,tot aan de toppen der vingers.
s’agiter,zich bewegen.
entrez vite en danse,begin vlug te dansen.
frapper,slaan.

[XXXVI].