VII.
HILDIBRAND AND HATHUBRAND.
TEXT OF GRIMM. TRANSLATION IBID.
Also in—Langue et Litérature des Anciens Francs, par G. Gley.
Ih gihorta that seggen, that sie urhetton ænon muotin
Hildibraht enti Hathubrant untar heriuntuem,
Sunu fatar ungo; iro saro rihtun,
Garutun se iro guthhamun, gurtun sih iro suert ana,
Helidos, ubar ringa, do sie to dero hiltu ritun.
Hiltibraht gimahalta, Heribrantes sunu, her was heroro man,
Ferahes frotoro, her fragen gistuont,
Fohem wortum: wer sin fater wari;
Fires in folche, eddo weliches cnuosles du sis?
Ibu du mi aenan sages, ik mideo are-wet,
Chind in chuninchriche, chud ist min al irmindeot.
Hadubraht gimahalti Hiltibrantes sunu: Dat sagetun mi
Usere liuti alte anti frote, dea erhina warun,
Dat Hilbrant haetti min fater, ïh heittu Hadubrant.
Forn her ostar gihueit, floh her Otachres nid
Hina miti Theotriche enti sinero degano filu;
Her furlach in lante luttila sitten
Prut in bure; barn unwahsan,
Arbeolosa heraet, ostar hina det,
Sid delriche darba gistuontum, fatereres mines,
Dat was so friuntlaos man, her was Otachre unmettirri,
Degano dechisto, unti Deotriche darba gistontum;
Her was eo folches at ente, imo was eo feheta ti leop.
Chud was her chonnem mannuma, ni wanin ih, in lib habbe.
Wittu Irmin-Got, quad Hiltibraht, obana ab havane,
Dat du neo danahalt mit sus sippan man dinc in gileitos!
Want her do ar arme wuntane bouga,
Cheiswringu gitan, so imo seder chuning gap
Huneo truhtin; dat ih dir it un bi huldi gibu!
Hadubraht gimalta, Hiltibrantes sunu:
Mit geru scal man geba infahan,
Ort widar orte, du bist dir, alter Hun, ummet,
Spaher, spenis mi mit dinem wortema,
Wilihuh di nu speru werpan,
Pist al so gialtet man, so du ewin inwit fortos;
Dat sagetun mi Sacolidante
Westar ubar Wentilsaeo, dat man wic furnam,
Tot ist Hiltibraht Heribrantes suno,
Hildibrant gimahalta Heribrantes suno: wela gisihu ih,
In dinem hrustim, dat du habes heine herron goten,
Dat du noh bi desemo riche reccheo ni wurti,
Welaga, nu waltant Got, quad Hiltibrant, we wurt skihit!
Ih wallota sumaro enti wintro sehstick urlante.
Dar man mih eo scerita in folc scestantero.
So man mir at burc einigeru banun ni gifasta;
Nu scal mih suasat chind suertu hauwan,
Bieton mit sinu billiu, eddo ih imo tí banin werden.
Doh maht du nu aodlicho, ibu dir din ellent aoc,
In sus heremo man hrusti girwinnan;
Rauba bi hrahanen ibu du dar enic reht habes.
Der si doh nu argosto, quad Hildibrant, ostarliuto,
Der dir nu wiges warne, nu dih es so wel lustit.
Gudea gimeirum niused emotti.
Wer dar sih hiutu dero prel-zilo hrumen muotti,
Erdo desero brunnono bedero waltan.
Do laettun se aerist asckim scritan
Scarpen scurim, dat in dem sciltim stout;
Do stoptun tosamene, starmbort chludun,
Hewun harmilicco huitte scilti
Unti im iro lintun luttilo wurtun—
VIII.
OLD SAXON.
FROM THE TEXT OF A. YPEIJ.
Taalkundig Magazijn. P. 1, No. 1.—p. 54.
Psalm LIV.
2. Gehori got gebet min, in ne furuuir bida mina; thenke te mi in gehori mi.
3. Gidruouit bin an tilogon minro, in mistrot bin fan stimmon fiundes, in fan arbeide sundiges.
4. Uuanda geneigedon an mi unreht, in an abulge unsuoti uuaron mi.
5. Herta min gidruouit ist an mi, in forta duodis fiel ouir mi.
6. Forthta in biuonga quamon ouer mi, in bethecoda mi thuisternussi.
7. In ic quad "uuie sal geuan mi fetheron also duuon, in ic fliugon sal, in raston sal."
8. Ecco! firroda ic fliende, inde bleif an eudi.
9. Ic sal beidan sin, thie behaldon mi deda fan luzzilheide geistis in fan geuuidere.
10. Bescurgi, herro, te deile tunga iro, uuanda ic gesag unriht in fluoc an burgi.
11. An dag in naht umbefangan sal sia ouir mura ira, unreht in arbeit an mitdon iro in unreht.
12. In ne te fuor fan straton iro prisma in losunga.
13. Uuanda of fiunt flukit mi, is tholodit geuuisso; in of thie thie hatoda mi, ouir mi mikila thing spreke, ic burge mi so mohti geburran, fan imo.
14. Thu geuuisso man einmuodigo, leido min in cundo min.
15. Thu samon mit mi suota nami muos, an huse gode giengon uuir mit geluni.
16. Cum dot ouir sia, in nithir stigin an hellon libbinda. Uuanda arheide an selethe iro, an mitdon ini.
17. Ic eft te gode riepo, in herro behielt mi.
18. An auont in an morgan in an mitdondage tellon sal ic, in kundon; in he gehoron sal.
19. Irlosin sal an frithe sela mina fan then, thia ginacont mi, uuanda under managon he uuas mit mi.
20. Gehorun sal got in ginetheron sal sia; thie ist er uueroldi.
21. Ne geuuisso ist ini uuihsil; in ne forchtedon got. Theneda hant sina an uuitherloni.
IX.
MODERN DUTCH OF HOLLAND.
Mark, Chap. I.
1. Het begin des Evangelies van Jezus Christus, den Zoon van God.
2. Gelijk geschreven is in de Profeten: ziet, Ik zend mijnen Engel voor uw aangezigt, die uwen weg voor u heen bereiden zal.
3. De stem des roependen in de woestijn: bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden regt!
4. Johannes was doopende in de woestijn, en predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden.
5. En al het Joodsche land ging tot hem uit, en die van Jerûzalem; en werden allen van hem gedoopt in the rivier de Jordaan, belijdende hunne zonden.
6. En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met eenen
lederen gordel om zijne lendenen, en at sprinkhannen en wilden honig.
7. En hij predikte, zeggende: na mij komt, die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem zijner schoenen te ontbinden.
8. Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar hij zal u doopen met den Heiligen Geest.
9. En het geschiedde in diezelve dagen, dat Jezus kwam van Názareth, gelegen in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.
10. En terstond, als hij uit het water opklom, zag bij de hemelen opengaan, en den Geest, gelijk eene duive, op hem nederdalen.
11. En er geschiedde eene stem nit de hemelen: gij zijt mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb!
12. En terstond dreef hem de Geest uit in de woestijn.
13. En hij was aldaar in de woestijn vertig dagen, verzocht van den Satan; en was bij de wilde gedierten; en de Engelen dienden hem.
14. En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koningrijk Gods,
15. En zeggende: de tijd is vervuld, en het Koningrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.
16. En wandelende bij de Galilésche zee, zag hij Simon en Andréas, zijnen broeder, werpende het net in de zee (want zij waren visschers);
17 En Jezus zeide tot hen: volgt mij na, en ik zal maken, dat gij visschers der menschen zult worden.
18. En zij, terstond hunne netten verlatende, zijn hem gevolgd.
19. En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag hij Jacobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijnen broeder, en dezelve in het schip hunne netten vermakende.
20. En terstond riep hij hen; en zij, latende hunnen vader Zebedéüs in het schip, met de huurlingen, zijn hem nagevolgd.
21. En zij kwamen binnen Kapernaüm; en terstond op den Sabbatdag in de Synagoge gegaan zijnde, leerde hij.
22. En zij versloegen zich over zijne leer: want hij leerde hen, als magt hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.
23. En er was in hunne Synagoge een mensch, met eenen onreinen geest, en hij riep uit,
24. Zeggende: laat af, wat hebben wij met u te doen, gij Jezus Nazaréner! zijt gij gekomen, om ons to verderven? Ik ken u, wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods.
25. En Jezus bestrafte hem, zeggende: zwijg stil, en ga nit van hem.
26. En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met eene groote stem, ging uit van hem.
27. En zij werden allen verbaasd, zoodat zij onder elkander vraagden, zeggende: wat is dit? wat nieuwe leer is deze, dat hij met magt ook den onreineen geesten gebiedt, en zig hem gehoorzaam zijn!
28. En zijn gerucht ging terstond uit, in het geheel omliggen land van Galiléa.
29. En van stonde aan uit de Synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andréas, met Jacobus en Johannes.
30. En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij hem van haar.
31. En hij, tot haar gaande, vattede hare hand, en rigtte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.
32. Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, bragten zij tot hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.
33. En de geheele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.
34. En hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierpe vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden.
35. En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging hij uit, en ging henen in eene woeste plaats, en bad aldaar.
36. En Simon, en die met hem waren, zijn hem nagevolgd.
37. En zij hem gevonden hebbende, zeiden tot hem: zig zoeken u allen.
38. En hij zeide tot hen: laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat ik ook daar predike: want daartoe ben ik uitgegaan.
39. En hij predikte in hunne Synagogen, door geheel Galiléa, en wierp de duivelen uit.
40. En tot hem kwam een melaatsche, biddende hem, en vallende
voor hem op de knieën, en tothem zeggende: indien gij wilt, gij kunt mij reinigen.
41. En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: ik wil, word gereinigd.
42. En als hij dit gezegd had, ging de melaatschheid terstond van hem, en hy werd gereinigd.
43. En als hij hem strengelijk verboden had, deed hij hem terstond van zich gaan;
44. En zeide tot hem: zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon u zelven den Priester, en offer voor uwe reiniging, hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis.
45. Maar hij vitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen, en dat woord te verbreiden, alzoo dat hij niet meer openbaar in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot hem van alle kanten.
X.
OLD NORSE.
THE DESCENT OF ODIN.
From the Edda of Sæmund. Copenhagen Edition.
XI.
ICELANDIC.
From Snorro's Heimskringla. Translated by Laing.
Y'NGLINGA SAGA.
KAP. I.
Her Segir frá Landa Skipan.
Sva er sagt, at kringla heimsins, sú er mannfólkit byggir, er mjök vag-skorin: gánga höf stór úr útsjánum inn í jordina. Er þat kunnigt, at haf gengr af Njorvasundum, ok allt út til Jórsala-lands. Af hafinu gengr lángr hafsbotn til landnordrs, er heitir Svartahaf: sa skilr heims þridjúngana: heitir fyrin austan Asia, en fyrir vestan kalla sumir Evrópa, en sumir Enea. En nordan at Svartahafi gengr Sviþjod in mikla eda in kalda. Svíþjód ena miklu kalla sumir menn ecki minni enn Serkland hít mikla; sumir jafna henni vid Bláland hit mikla. Hinn neyrdri lutr Svíþjódar liggr óbygdr af frosti ok kulda, swa sem hinn sydri lutr Blálands er audr af sólarbruna. I Svíþjód eru stór hérut mörg: þar eru ok margskonar þjodir undarligar, ok margar túngur: þar eru risar, ok þar eru dvergar: þar eru ok blámenn; þar eru dýr ok drekar furdulega stórin. Ur Nordri frá fjöllum þeim, er fyrir utan eru bygd alla, fellr á um Svíþjód, sú er at rettu heitir Tanais; hún var fordum köllut Tanaqvísl edr Vanaquísl; hún kémur til sjávar inu i Svarta-haf. I Vanaqlvíslum var þa kallat Vanaland, edr Vanheimr; sú á skiir heimsþridjúngana; heitir fyrir austan Asia, en fyrir vestan Evrópa.
KAP. II.
Frá Asía Mönnum.
Fyrir austan Tanaqvísl í Asía, var kallat Asa-land edr Asaheimr; en höfutborgina, er í var landinu, kölludu þeir Asgard. En í borginni var höfdíngi sá er Odinn var kalladr, þar var blótstadr mikill. Þar var þar sidr at 12 hofgodar vóru æztir; skyldu þeir ráda fyrir blótum ok dómum manna í milli; þat eru Diar kalladir edr drottnar: þeim skyldi þjónustu veita allr folk ok lotníng. Odinn var hermadr mikill ok mjök vidförull, ok eignadiz mörg riki: han var sva Sigrfæll, at í hvörri orustu feck hann gagn. Ok sva kom at hans menn trúdu því, at hann ætti heimilann sigr í hverri orustu. Þat var háttr hans ef ann sendi menn sína til orustu, edr adrar sendifarar, at hann lagdi adr hendur í höfut þeim, ok gaf þeim bjanak; trúdu þeir at þá mundi vel faraz. Sva var ok um hans menn, hvar sem þeir urdu í naudum staddir á sjá edr á landi, þá kölludu þeir á nafn hans, ok þóttuz jafnan fá af þvi fro; þar þottuz þeir ega allt traust er hann var. Hann fór opt sva lángt í brot, at hann dvaldiz í ferdinni mörg misseri.