¶ Nr. 11.
Schön Adelheid.
1Daar was er een oolijken schachelaar,
hij schachelde een koning zijn dochter,
hij schachelde ze hier, hij schachelde ze daar,
dat hij ze zoo duur verkochte.
2Hij verkocht ze zoo duur om geenen geld,
hij woog ze tegen zilvere schalen;
door haar rijkdom en haar schoonheid
zoo werd zij geheeten mooi Aale.