3Zij ging er al voor zijn moeder staan:
‘och moeder, zeide ze, landsvrouwe,
wanneer zalder Alewijn, uw eenigste zoon,
wanneer zal hij mij waarlijk trouwen?’
4‘Mooi Adeltje, dat en weet ik niet,
’k zal hem alzoo waarlijk wel vragen;
ik zag er van mijn dagen nooit blijder maagd
als ghij daar staan in zijn behagen.’
5Zij ging al voor haar zone staan:
‘koning Alewijn, zeide ze, heere,