hoe lange zal mooi Aaltje dat schoone wijf,

hoe lange zal zij noch leven in oneere?’

6‘O moeder, dat en weet ik niet,

zoudt gij mij dat zoo waarlijk raden?

zij zeggen, dat mooi Aaltje een vondeling is,

god ken haar vrienden en maagen.

7Gister avond was ik noch over den Rijn,

daar reed ik alzoo waarlijk met rouwe,

nu zalder mooi Aaltje dat schoone wijf

haar hartje breken al van rouwe.’