‘zei jij der nou na dat bruidshuis gaan,

wat zelje mijn jonge bruid ter eeren geven?’

11‘Jouw bruid die zal hebben goeds genoeg,

koning Alewijn, zeide ze, heere!

mijn oude kousjes en mijn versleten schoen,

die mag ze wel dragen met eeren.’

12‘Jouw oude koussen die en wil ik niet,

mooi Adeltje, zeide hij, vrouwe!

jij moest haer geven noch beter goed,

wou jij de vriendschap met haar houen.’