13‘Jouw bruid die zal hebben goeds genoeg,

koning Alewijn, zeide ze, heere!

ik heb noch zeven zonen van jou en mijn,

die mogen haar dienen al haar leven.’

14‘Jouw zeven zonen die krijgt zij wel,

mooi Adeltje, zeide hij, vrouwe!

jij moest haar geven jouw voorgespan,

wou jij de vriendschap met haar houen.’

15‘Mijn voorgespan dat krijgt jij niet,

koning Alewijn, zeide ze, heere!