daar waren der twee op mijn vadertjes hof,
ik en mijn zuster elk eene.’
16‘En zijt jij dan een konings kind,
mooi Adeltje, zeide hij, vrouwe!
hadje mijn dat zoo waarlijk gezeid,
ik had u zelver willen trouwen.’
17Doe mooi Adeltje op dat bruidshuis kwam,
de heeren boden haar eens te drinken;
zij liet er alzoo menigen traan
al in de gouden wijnschaal zinken.