18De bruid al tegen den bruidegom sprak:

‘koning Alewijn, zeide ze, heere!

wat mag er dat voor een bedroefde vrouw zijn,

die daar zoo deerlijk gaat zitten weenen?’

19‘Wat dat er dat voor een bedroefde vrouw is?

’t bennen van ons nichten en van ons neven;

zij komen daar gereisd uit een vreemd land,

zij zullen groote giften aap u geven.’

20’t Bennen van ons nichten, van ons neven niet,

koning Alewijn, zeide ze, heere!