’t is der mooi Adeltje, de jongste zuster van mijn,
die jij benomen hebt haar eere.’
21Zij nam er de kroon al van haar hoofd,
het kroontje was roode van goude:
‘hou daar, mooi Adeltje, jongste zuster van mijn,
je bruidegom sel jij der behouden.
22Knecht, zadelt mij mijn beste paard
van vieren of van vijven!
ik kwam er rijden met zoo grooten eerwaard,
met schanden moet ik wederom rijden.’