3‘Waar om zoo zoud ik u borgen?

gij hebter geen geld noch pand,

als kaf en lichte veêren

zijn uw kleêren,

gij komter uit bijster land.’

4De meid sprak tot de vrouwe:

‘vrou, tapter de gasten vrij wijn!

laat haar hart ophalen,

’k zal’t betalen

al watter verteerd zal zijn.’