5Doe sprak de waard met morren:

‘hoe spreekt ons maget zoo boud?

zij zullen domineeren

en verteeren

al uw zilver en rood goud.’

6‘Hoe zouden zij verteeren

mijn zilver en rood goud?

ik heb noch duizend kroonen

die zijn schoone

en ook van jaartjens oud.’