schier over der heiden,

die vliegt er van boven in.’

3Wij zullen den nachtegaal binden

zijn hoofdje al aan zijn voên,

dat hij niet meer zal klappen,

schier over der heiden,

wat twee zoete liefjens doen.

4‘Al hebt gij mij dan gebonden,

mijn hartje is mijnder gezond,

ik kan noch evenwel klappen,