wij hebbe verslapen dat’s beide ons tijd,
en ik hoorde des wachters stemme,
schiet mijnder tot uwen klein venster uit,
ik zalder zoo lustig zwemmen.’
2Die maagd die heeft het zoo haast verstaan,
zij is na haar slaapkamer gegaan,
na haar slaapkamer zeer rasse.
zij schoot hem tot haren klein venster uit
in een zoo diepen grafte.
3Doe hij er dat graftje ten halven quam,