zijn vaders hooge toorn dat hij er vernam,

van graauwe steenen de muuren.

‘gants zelden is dat van vrouwen gekomen:

het zwemmen valt mij zoo zuure!’

4Doe hij er dat graftje ten einde quam,

zijn kleederen onder zijn arrem hij nam

en hij sprong op ’s heeren straten.

hij klopten aan een klein venstertje aan,

daar heeren en krijgslui zaten.

5Zijn vrienden riepen verblijd van geest: