3Zij zeide: ‘sa gasten, ’t en mag er zoo niet zijn!

voor u en is er geen biertje of geen wijn,

voor u en is er geen biertje of geen wijn,

of daar moest eerst een goudguldentje zijn.’

4De jongste in zijn binnebeursje schoot,

hij haalde daar uit drie kroonen waren rood,

hij haalde daar uit drie kroonen waren rood,

die worp hij ’t waardintje in haar schoot.

5Hij zeide: ‘waardinnetje, daar is er jouw geld!

’t isser niet te veel, maar ’t isser wel geteld,