’t is David’s rechte nazaat; ziet, uw koning

leit in een stal, geen slechter woning

is er in dit dal.

4Zijt welkom groote wereldsvorst,

zijt welkom die uw slaven komt bezoeken,

gelijk een kind in slechte doeken

omwonden en sober uitgedorst.

helaas! ik heb geen welkom gaaf,

want ziet, ik ben maar uwen armen slaaf

en zijt gij zelf die daar ik moet van leven;