het is mij smart, ’k heb niet te geven
als alleen mijn hart.
5Hoe nu, grootmachtig vorst, hoe nu?
verlaat gij ’t rijk? veracht gij zoo de troonen,
om in mijn hart zoo klein te wonen?
ei, wacht een weinig, bid ik, ’t is te ruw;
ei, laat het eerst uw dienaar zijn
en zuiver maken, ’k zal uw helper zijn.
o wonder, ’t is in weinig oogenblikken
wel na mijn zin—ei, wilt niet schrikken,