o grooten priester in der eeuwigheid,
zijt welkom in uw eigen goed!
wij vallen nu voor uwe krib te voet,
en schoon gij schijnt een kind, o heer der heeren,
gij zijt ons lot, ik wil u eeren
als mijn groote god.
11Gij komt van passe met uw macht,
om in ons hart een vredevuur te stichten
en ons in ’t duister te verlichten;
dat is, o heer, de rechte tijd bij nacht: