en aller vromen hoeder!
o liefste dien ik liefde bood,
wie is toch uwe moeder?’
13‘Nooit was er op de gansche aard
een maagd zoo rein van leven:
zij heeft mij wonderlijk gebaard
en maagd is zij gebleven.’
‘Ach, is uw moeder eene maagd,
zoo schoon en uitgenomen,
verschoon uw dienstmaagd dat ze vraagt,