van waar zijt gij gekomen?’

14‘Ik kome uit mijns vaders rijk,

vervuld met zoo veel vreugden,

die nergens hebben haar gelijk

in schoonheid en in deugden;

daar duizend jaaren is één dag,

daar duizend duizend jaaren,

dat is ’t dat weelde heeten mag,

veel deugd’ en vreugden baaren.’

15‘Och heer, dat staat mij wonder aan,