mijn allerschoonste koning!

laat ons toch haastig heenen gaan

naar uw heer vaders woning!’

‘O maagd, dient mij opregt en rein,

mijn rijk zal ik u geven,

daar zult gij eeuwig bij mij zijn,

in groote vreugde leven.’

16‘Zij gingen alzoo rein en kuisch

door beemden en door weiden,

en kwamen aan een geestlijk huis,