die icker mijn grote goet mocht erven!
25Ic heb noch wel een soon heet Jan,
hi is so ver in vreemde landen;
dat hi sijn goet niet regheren en can,
dat is hem also grote schande.
26En daer toe minen bastertsoon,
het is noch jonc van weken,
al quaem hi noch over hondert jaer,
sijns vaders doot sal hi wel wreken.’
27Een corte wijl was daer niet lanc,