si hiewen den Degener overmoet,
dat hem sijn rode bloet overvloet.
16Doe sprac die joncste broeder:
‘ware die Degener onse swagher,
hoe node woude wi hem doden
17Nu nemic dat op mijn henevaert,
dat ic sijns lives niet schuldich en waert
meer dan een hendelijn ende een cussen,
daer was een sluier tuschen.