si hiewen den Degener overmoet,

dat hem sijn rode bloet overvloet.

16Doe sprac die joncste broeder:

‘ware die Degener onse swagher,

hoe node woude wi hem doden

. . . . . . .

17Nu nemic dat op mijn henevaert,

dat ic sijns lives niet schuldich en waert

meer dan een hendelijn ende een cussen,

daer was een sluier tuschen.