2Hij verkocht ze zoo duur om geenen geld,

hij woog ze tegen zilvere schalen;

door haar rijkdom en haar schoonheid

zoo werd zij geheeten mooi Aale.

3Zij ging er al voor zijn moeder staan:

‘och moeder, zeide ze, landsvrouwe,

wanneer zalder Alewijn, uw eenigste zoon,

wanneer zal hij mij waarlijk trouwen?’

4‘Mooi Adeltje, dat en weet ik niet,

’k zal hem alzoo waarlijk wel vragen;