ik zag er van mijn dagen nooit blijder maagd

als ghij daar staan in zijn behagen.’

5Zij ging al voor haar zone staan:

‘koning Alewijn, zeide ze, heere,

hoe lange zal mooi Aaltje dat schoone wijf,

hoe lange zal zij noch leven in oneere?’

6‘O moeder, dat en weet ik niet,

zoudt gij mij dat zoo waarlijk raden?

zij zeggen, dat mooi Aaltje een vondeling is,

god ken haar vrienden en maagen.