zij komen daar gereisd uit een vreemd land,
zij zullen groote giften aap u geven.’
20’t Bennen van ons nichten, van ons neven niet,
koning Alewijn, zeide ze, heere!
’t is der mooi Adeltje, de jongste zuster van mijn,
die jij benomen hebt haar eere.’
21Zij nam er de kroon al van haar hoofd,
het kroontje was roode van goude:
‘hou daar, mooi Adeltje, jongste zuster van mijn,