17Doe mooi Adeltje op dat bruidshuis kwam,

de heeren boden haar eens te drinken;

zij liet er alzoo menigen traan

al in de gouden wijnschaal zinken.

18De bruid al tegen den bruidegom sprak:

‘koning Alewijn, zeide ze, heere!

wat mag er dat voor een bedroefde vrouw zijn,

die daar zoo deerlijk gaat zitten weenen?’

19‘Wat dat er dat voor een bedroefde vrouw is?

’t bennen van ons nichten en van ons neven;