jij moest haar geven jouw voorgespan,
wou jij de vriendschap met haar houen.’
15‘Mijn voorgespan dat krijgt jij niet,
koning Alewijn, zeide ze, heere!
daar waren der twee op mijn vadertjes hof,
ik en mijn zuster elk eene.’
16‘En zijt jij dan een konings kind,
mooi Adeltje, zeide hij, vrouwe!
hadje mijn dat zoo waarlijk gezeid,
ik had u zelver willen trouwen.’