12‘Jouw oude koussen die en wil ik niet,
mooi Adeltje, zeide hij, vrouwe!
jij moest haer geven noch beter goed,
wou jij de vriendschap met haar houen.’
13‘Jouw bruid die zal hebben goeds genoeg,
koning Alewijn, zeide ze, heere!
ik heb noch zeven zonen van jou en mijn,
die mogen haar dienen al haar leven.’
14‘Jouw zeven zonen die krijgt zij wel,
mooi Adeltje, zeide hij, vrouwe!