wie weet of gij ze wel kent?

de koning van de Grieken

dat is er de vader van mijn.

9Zijn huisvrouw Margareta

dat is er de moeder van mijn.

de naam moogt gij wel weten

wie dat er mijn ouders zijn.’

10‘De koning van de Grieken

dat is zoo een mooijen man.

zoudt gij niet hooger wassen,