en bieden haar goeden dag.’

16‘Ik heb noch een klein paardje,

’t loopt snelder dan de wind,

dat zal ik u heimelijk leenen:

gaat, zoekt dat gij ze vindt!’

17De jager zat op het paardje,

hij reed er zoo lustig voort:

‘adieu, jou zwarte hoeren,

jouw dochter is veel te boos!’

18‘Had ik jou in mijn klaauwen