een kroon van paarlen fijn:

al kwamen er koningen,

zij zouden voor haar niet zijn.

14Zij draagt op haar borsten

een lelie met een zwaard:

den boozen uit der hellen

is voor mijn dochter vervaard.’

15‘Gij roemt zoo op uw dochter,

ik wou dat ik ze eens zag!

ik zou ze heimelijk kussen