2‘Zuster, zeide hij, zuster mijn,
mijn zuster landesvrouwe,
woudt gij mij vrouwekleiders aandoen,
groot wonder zult gijder aanschouwen.’
3‘Broeder, zeide zij, broeder mijn,
dat waar ons beide groot schande!
daar vrijdt zoo menigen koningskind
zoo ver al in vreemde landen.’
4Hij schoot aan een hemdetjen wit,
een hemdetjen wit van zijde,