daar over schoot hijder een rokjen rood,
een rokjen van kermeszijde.
5Hij zetten een kroon al op zijn hoofd,
hij zag uit zijn bruin oogen zoo wel
gelijk een wereldsche vrouwe.
6‘Nu zadelt mij mijn beste paerd,
mijn alderbeste van vijven,
dat ik mag rijden over berg, over dal
al na mijn zoete liefjen!’