7Hij reed over berg, over dieper dal

zoo meniger stoute mijlen,

zoo lang dat hij voor dat hooge huis quam,

daar de schoone zat op der tinnen.

8‘Kijk uit vader, kijk uit moeder,

kijkt uit broeders alle vijven!

hier komt dat wijf, dat wereldsche wijf

op een appelgraauwe ros aanrijden.’

9‘Zegt mijn, zegt mijn, wel wereldsch wijf,

zegt mijn bij uwer machten: