22‘Zegt mijn, zegt mijn, schaapherder fijn,
zegt mijn bij uwer trouwen,
wie komter dat huis dat hooge huis toe,
daar de vensters blinken van gouwe?’
23‘Als ik het immers zeggen moet,
ik zeg bij mijnder trouwen,
het komter dat wijf, dat wereldsche wijf toe
met haren wel landesvrouwen.’
24‘Komen zij dat wijf, dat wereldswijf toe