zoo lang hij bij een schaapherder kwam,

die zijn schaapjes daar ging weiden.

20‘Zegt mijn, zegt mijn, schaapherder fijn,

zegt mijn bij uwer trouwen,

wie komen al deze schaapjes toe

die de ooren blinken van gouwe?’

21‘Als ik het immers zeggen moet,

ik zeg bij mijnder trouwen,

die komen dat wijf, dat wereldsche wijf toe

met haren wel landesvrouwen.’