¶ Nr. 16.
Todtenamt.
1‘Het daghet in den oosten,
het lichtet overal;
hoe luttel weet mijn liefken
och waer ic henen sal,
hoe luttel weet mijn liefken!
2Och warent al mijn vrienden
dat mijn vianden sijn,
1‘Het daghet in den oosten,
het lichtet overal;
hoe luttel weet mijn liefken
och waer ic henen sal,
hoe luttel weet mijn liefken!
2Och warent al mijn vrienden
dat mijn vianden sijn,