Noch heeft si een hoochmoedighe coragie

ende daer toe enen fieren ganc,

ic en hoorde mijn daghe niet soeter sanc,

dan si bedrijft met haren voys gheclanc,

het dunct mi puer een godinne,

ghefaetsoneert is si als een ymagie,

tis recht dat icse beminne.

und Nr. 135, 4.

O vrouwelike ymagie,

rein edel personagie,