al voor den toorn gegangen:

‘och zoone, liefste zoone van mijn,

hoe zwaar legt gij gevangen!’

4‘Och vader, liefste vader mijn,

zeer zwaar leg ik gevangen,

wel veertig vademen onder de aard

bij adderen en bij slangen.’

5Zijn vader wel tot de heeren sprak:

‘wilt mijn den gevangen los geven,

drie honderd goudguldens zal ik u strak