wel voor den jongeling geven.’

6‘Drie honderd goudgulden helpen u niet,

die jongeling moet sneven:

hij draagt een gouden keten ziet,

die brengt hem om zijn leven.’

7‘Dat hij een gouden keten draagt,

die en heeft hij niet gestolen,

die heeft hem vereerd een schoone maagd

uit liefden onverholen.’

8Men haalde den jongeling uit den toorn