zijn hert dat scheen te breken:

‘och zoone, liefste zoone mijn,

uwen dood zal ik wel wreken.’

14‘Och vader, liefste vader mijn,

mijn dood en wilt niet wreken,

op dat mijn ziel niet komt in pijn,

onschuldig wil ic sterven.’

15Des derden dags met klaren toon

zag men een engel blinken:

‘neemt af, neemt af den jongeling schoon,