dat ik zijn oogen mogte verbinden!’

11‘Och mijn oogen verbind doch niet,

ik moet de wereld aanschouwen;

ik zieze nu en nimmermeer,

dies leit mijn hert in rouwen.

12Ik treur niet om mijn jonge lijf

noch om mijn jonge leven,

maar om mijn vrou moeder die t’huis

zit in droefheid en sneven.’

13Zijn vader onder ’t geregte stond,