en pluk ook alle goude roozen niet;
ik heb er mijn liefje verloren
en kan er geen tijding van hooren.’
4‘Heb gij er uw liefje verloren,
kanje ook geen tijding van hem hooren?
hij is er op Zeelands douwen
en verkeert met alle schoone vrouwen.’
5‘Is hij er op Zeelands douwen,
verkeert hij daar met schoone vrouwen,
zoo mag de hemel zijn leidsman zijn